Punctie

Lichaamsvocht kan snel en gemakkelijk worden verkregen via een punctie. Een huisarts, medisch specialist of patholoog gebruikt hiervoor een spuit met een dunne, holle naald. Met een speciale handgreep wordt de spuit vacuüm getrokken, zodat het vocht kan worden opgezogen. Het gaat om de losse cellen die zich in het vocht bevinden. Het afgenomen materiaal wordt op een objectglaasje uitgestreken en aan de lucht gedroogd, zodat het vocht verdampt en de cellen overblijven. Deze worden vervolgens door de afdeling Cytologie onderzocht op afwijkingen. Soms wordt het overgebleven lichaamsvocht in alcohol uitgespoten, ten behoeve van eventueel aanvullend immunocytochemisch onderzoek.

Vanwege de dunne naald is een punctie in de regel nauwelijks belastend of pijnlijk voor de patiënt. De punctieplaats wordt dan ook niet verdoofd. Meestal wordt er slechts een kleine hoeveelheid materiaal afgenomen. Het uitvoeren van een punctie neemt ongeveer 15 minuten in beslag.
Indien noodzakelijk en diagnostisch ongecompliceerd kan de zogenaamde 'cito-uitslag' snel bekend zijn. De patholoog informeert de behandelend arts telefonisch over de cito-uitslag. Andere punctie-uitslagen vergen uitgebreider cytologisch onderzoek en zijn na twee tot maximaal vijf werkdagen bekend.

In principe kan een arts een punctie maken van alle afwijkingen die van buitenaf voelbaar (palpabel) zijn. Als een afwijking niet palpabel is, dient de punctie te worden uitgevoerd met behulp van een echo of CT-scan. In dat geval maakt een echoscopist of radioloog de punctie.

Als er sprake is van een infectie, wordt het punctiemateriaal voor het kweken van micro-organismen doorgestuurd naar het Laboratorium Microbiologie. Daar kunnen dan direct de infectiebron en de gevoeligheid van het micro-organisme voor bepaalde antibiotica worden vastgesteld, zodat de patiënt zo snel mogelijk kan worden behandeld.